Locatie

Geschiedenis
In het landschap ten Oosten van Tilburg zijn de torens van de trappistenabdij Onze Lieve Vrouw van Koningshoeven al meer dan een eeuw beeldbepalend. Wie binnendoor van Tilburg naar Moergestel rijdt, passeert even buiten de stad het kloostercomplex. Wat bracht eind negentiende eeuw monniken ertoe zich op deze plek te vestigen? En hoe verging het hen daar?

Toevluchtsoord
In 1880 maakte abt Dominicus Lacaes van het Noord-Franse trappistenklooster Sainte-Marie-du-Mont op de Katsberg zich zorgen over het lot van zijn kloosterlingen. Het zag er in die tijd voor het religieuze leven in Frankrijk niet bepaald rooskleurig uit. Door antikerkelijke wetgeving werden kloosters in hun voortbestaan bedreigd. De monniken van de Katsberg waren er op voorbereid dat ze op korte termijn het land moesten verlaten. Uiteindelijk is het zover niet gekomen, maar de situatie was dusdanig alarmerend dat de abt besloot één van zijn monniken, Sebastianus Wyart, uit te zenden om een toevluchtsoord te zoeken in het buitenland. De keuze van Wyart viel op Nederland, dat verdreven religieuzen gastvrij ontving. In de buurt van Tilburg, op het grondgebied van het plaatsje Berkel-Enschot, vond hij wat hij zocht: een stuk heide, met enkele kleine hoeven en een schaapskooi. De plaatselijke bevolking noemde deze hoeven, de ‘Koningshoeven’, omdat ze eigendom waren geweest van koning Willem II.

Trappistenbrouwerij
De schaapskooi werd verbouwd tot voorlopig klooster en op 5 maart 1881 was er voor het eerst een eucharistieviering op ‘Koningshoeven’. Hiermee was de vestiging van het eerste cisterciënzerklooster in Nederland sinds de Reformatie een feit. Daarvóór telde Nederland tal van cisterciënzerabdijen, vooral in het Noorden.

De opkomst van het protestantisme en de ontwikkeling van de noordelijke Nederlanden tot

een zelfstandige staat in de 16de en 17de eeuw betekende het einde van de kloosters. Om in hun levensonderhoud te voorzien waren de monniken in Koningshoeven begonnen met het ontginnen van de schrale heidegrond. Maar dat bleek meer kosten dan baten te geven. Er moest een oplossing gevonden worden, temeer omdat steeds meer kandidaten zich kwamen aanmelden en het toevluchtsoord een blijvende stichting werd. Toen het boeren-bedrijf niet in de meest elementaire levensbehoeften kon voorzien, besloot de eerste overste, Nivardus Schweykart, een kleine brouwerij te beginnen. Dit zou het begin zijn van Nederlands enige trappistenbrouwerij. Tot op de huidige dag de belangrijkste bron van inkomsten voor het klooster.

Stichtingen
In 1891 werd Koningshoeven verheven tot abdij en startte onder leiding van de eerste abt, Willibrord Verbruggen, de bouw van een nieuw imposant klooster. In juli 1893 verhuisden de kloosterlingen naar het gereedgekomen complex en viel het voorlopige onderkomen ten prooi aan de slopershamer. Op 17 september 1894 werd de abdijkerk plechtig geconsacreerd.

Koningshoeven stichtte al vrij snel een abdij in Zundert (1900): ‘Maria Toevlucht’. Deze groeide uit tot een bloeiende gemeenschap. In 1936 werd op aandrang van veel vrouwelijke familieleden van de monniken een begin gemaakt met de bouw van een trappistinnenabdij in Berkel-Enschot, Onze Lieve Vrouw van Koningsoord, de enige cisterciënzerinnenabdij in Nederland. Koningsoord stichtte abdijen in Duitsland (1955) en in Oeganda (1964).

Andere stichtingen van Koningshoeven vonden plaats in Indonesië (Maria van het Blijde Moeras, 1953: in 1978 verheven tot zelfstandige abdij) en in Kenia (Onze Lieve Vrouw van Victoria, 1958: in 1967 verheven tot zelfstandige abdij).

Het gezin Löb
De oorlog 1940-1945 heeft ook de abdij getroffen. Naast de ‘gewone ongemakken’ zijn toen 3 medebroeders met 3 zusters uit Koningsoord, allen uit één gezin, door de nazi’s opgepakt. Vanwege hun Jood-zijn werden zij op 2 augustus 1942 via Westerbork naar Auschwitz getransporteerd.

Ingrijpend besluit
Na de oorlog nam het aantal intredingen drastisch af en verlieten velen het klooster. De gemiddelde leeftijd van de communiteit steeg en behoefte aan verzorging van zieke en oudere monniken groeide. Na lang wikken en wegen, en vooral met het oog op de toekomst van de abdij, nam de gemeenschap in 1997 een ingrijpend besluit: de meest hulpbehoeftige monniken gingen naar een kloosterverzorgingshuis in Vught. In Huize Sparrendaal heeft deze groep een eigen communiteitsleven, aangepast aan de ouderdom en de verzorging. Het kloostercomplex is de afgelopen jaren grondig gerenoveerd en met de jongere groep van zestien abdijbewoners is er voor gekozen om een ‘doorstart’ te maken op de historische plek waar het in 1881 allemaal begon.

In de abdij wonen en werken nu 19 monniken in de leeftijd van 21 tot 87 jaar.